Hoe vet ineens van vijand veranderde in superfood
Er zijn weinig onderdelen van voeding die zo’n identiteitscrisis hebben doorgemaakt als vetten.
Jarenlang waren ze de grote vijand van de moderne mens. Vet maakte dik. Vet verstopte je aderen. Vet was gevaarlijk. Dus gingen we massaal over op light-producten, halvarine en yoghurts die vooral trots vermeldden wat er níét meer in zat.
Ondertussen werd suiker overal bijgegooid om het nog enigszins eetbaar te houden, maar dat detail bleef vaak ergens onderaan de verpakking verstopt.
Fast forward naar nu en ineens blijken vetten weer ongeveer het beste te zijn wat de mens ooit is overkomen. Keto, grasboter, MCT-olie in koffie, avocado’s van negen euro per stuk en mensen die op verjaardagen uitleggen dat ze “eigenlijk volledig op vetverbranding draaien”.
Kortom: ook hier lijkt voeding soms meer op religie dan op biologie.
Wat zijn vetten eigenlijk?
In de basis zijn vetten een energiebron.
Sterker nog: vetten bevatten meer dan twee keer zoveel energie als koolhydraten. Maar in tegenstelling tot koolhydraten, die vooral snelle brandstof leveren, functioneren vetten meer als langetermijnenergie én bouwmateriaal tegelijk.
En daarmee houdt het niet op.
Je lichaam gebruikt vetten namelijk ook voor:
- hormonen,
- hersenen,
- celmembranen,
- zenuwstelsel,
- opname van vitamines,
- bescherming van organen,
- en communicatie tussen cellen.
Vet is dus niet simpelweg “iets waar je dik van wordt”. Het vormt letterlijk onderdeel van het fundament van het lichaam.
De vetverwarring begint pas echt bij de soorten
En dan begint de moderne voedingssoap pas echt.
Want vetten blijken ineens weer onderverdeeld te worden in:
- verzadigde vetten,
- onverzadigde vetten,
- omega 3,
- omega 6,
- omega 9,
- transvetten.
Tegen de tijd dat de gemiddelde consument dit probeert te begrijpen heeft hij meestal alweer een zak naturelchips opengetrokken uit pure stress.
Toch is de kern verrassend overzichtelijk.
Verzadigde vetten: jarenlang de slechterik
Verzadigde vetten zijn vaak steviger en stabieler. Denk aan:
- roomboter,
- ghee,
- kokosvet,
- vet uit dierlijke producten.
Lange tijd werden deze vetten gezien als ongeveer de directe snelweg richting een hartinfarct. Vooral cholesterol stond centraal in die angst.
Inmiddels blijkt het verhaal een stuk genuanceerder te liggen dan jarenlang werd gedacht. Het lichaam blijkt ingewikkelder dan simpelweg:
“meer vet eten = meer problemen”.
Dat betekent overigens niet dat onbeperkt alles frituren ineens gezondheidsadvies is geworden. Maar wel dat voeding zelden zo zwart-wit blijkt als voedingshypes graag doen voorkomen.
Onverzadigde vetten: de “goede” vetten?
Onverzadigde vetten zijn meestal vloeibaarder.
Daaronder vallen bijvoorbeeld:
- olijfolie,
- noten,
- avocado,
- zaden,
- vette vis.
Vooral omega 3-vetzuren kregen de afgelopen jaren bijna een mythische status vanwege hun rol bij:
- ontstekingsprocessen,
- hersenen,
- hart- en vaatziekten,
- herstel,
- en mogelijk zelfs stemming.
En eerlijk gezegd: daar lijkt ook best wat voor te zeggen.
Omega 3 en omega 6: het probleem is misschien niet vet, maar verhouding
En hier wordt het interessant.
Want zelfs binnen de “goede vetten” blijken verhoudingen ineens belangrijker dan simpelweg “goed” of “slecht”.
Omega 3- en omega 6-vetzuren zijn allebei essentiële vetzuren. Dat betekent dat het lichaam ze nodig heeft, maar niet zelf kan aanmaken.
Alleen lijkt de moderne westerse voeding daarin behoorlijk uit balans geraakt.
Van nature kregen mensen waarschijnlijk veel meer omega 3 binnen via:
- vis,
- wild,
- grasgevoerde dieren,
- noten,
- zaden,
- en minder bewerkte voeding.
Tegenwoordig bestaat een groot deel van de voeding echter uit industriële oliën en sterk bewerkte producten rijk aan omega 6-vetzuren. Denk aan:
- zonnebloemolie,
- sojaolie,
- snacks,
- sauzen,
- fastfood,
- fabriekseten.
Dat betekent niet dat omega 6 “slecht” is. Ook omega 6 heeft belangrijke functies in het lichaam.
Maar het lijkt erop dat de verhouding tussen omega 3 en omega 6 in de moderne voeding steeds schever is geworden.
En juist die balans lijkt invloed te hebben op:
- ontstekingsprocessen,
- hormonen,
- celcommunicatie,
- herstel,
- en mogelijk zelfs stemming.
Sommige onderzoekers vergelijken het bijna met een orkest dat uit verhouding raakt. Niet omdat één instrument verkeerd is, maar omdat alles ineens veel te hard door elkaar begint te spelen.
Transvetten: hier wordt het ongemakkelijk
En dan heb je nog transvetten.
De industriële Frankenstein-versie van vetten.
Vet dat chemisch wordt aangepast zodat het langer houdbaar, goedkoper of smeerbaarder wordt.
Daar lijkt inmiddels vrijwel iedereen het wel over eens:
die categorie gedraagt zich waarschijnlijk een stuk minder vriendelijk in het lichaam.
En misschien zit daar ook direct de belangrijkste les.
Hoe meer voeding door mensenhanden wordt verbouwd, geraffineerd, aangepast, gepoederd, verhit, ontgeurd, gekleurd en verpakt, hoe verder het vaak verwijderd raakt van iets wat het lichaam oorspronkelijk herkent als voeding.
Dat betekent niet dat een klont roomboter plots een magisch superfood is geworden. Maar misschien moeten we ook ophouden met doen alsof een fabriekssmeersel in een plastic kuipje automatisch gezonder is omdat er “light” op staat.
Misschien zijn vetten niet het echte probleem
Wat mij vooral opvalt is dat vetten tegenwoordig vaak benaderd worden alsof ze een moreel vraagstuk vormen.
Alsof olijfolie karakterontwikkeling is en een kroket een persoonlijke mislukking.
Terwijl het lichaam waarschijnlijk veel pragmatischer werkt dan onze voedingsgoeroes.
Misschien draait gezonde voeding uiteindelijk minder om het fanatiek vermijden van één voedingsstof, en meer om:
- balans,
- variatie,
- minder ultrabewerking,
- en iets meer vertrouwen in het feit dat het lichaam zelf ook nog een vorm van intelligentie bezit.
Want hoe meer ik mij in voeding verdiep, hoe minder absolute waarheden ik tegenkom.
Alleen heel veel mensen die met grote overtuiging roepen dat hún vet de waarheid is.